Vandaag lukt het niet. Ik voel het als ik wakker word. Mijn lijf trilt, mijn hoofd voelt aan als een wattenbol. Niet eens spaghetti. Meer een ondefinieerbare, grijze, dikke wolk waarvan je niet weet of hij overwaait of ontaardt in een gigantische regenbui.

Ik sta toch op als de wekker gaat. Ik heb een fijne wekker. Een wake-up-lamp. Meestal ben ik al wakker, net voordat de vogels beginnen te fluiten. Ook vandaag. Ik voel dat het niet goed gaat, maar hijs me uit bed. Ik heb mijn dochter immers beloofd bijtijds met haar op pad te gaan voor nieuwe schoolspullen. Het is haar eerste vakantiedag en die ga ik natuurlijk niet verpesten… toch?

In de douche begint de tweestrijd. Mijn lijf zegt: ‘Ho, stop. Vandaag geen uitstapjes. Er is rust nodig.’ Mijn hoofd zegt dat mijn lijf gelijk heeft, maar dat ik dit niet kan maken, omdat ik het mijn dochter beloofd heb… Bla bla bla. Dus ga ik door. Trillend op mijn benen. Het lukt me net om mezelf staande te houden en ik ben blij als ik de douche uit kan zetten en weer ‘vaste grond onder mijn voeten’ heb.

Tijdens het afdrogen gaat de wedstrijd in de weerwolk vrolijk verder. ‘Er is rust nodig’ versus ‘je kan het niet maken om nu nog nee te zeggen tegen de afspraak met dochterlief’. Ik word er moedeloos van.

Ik ben blijkbaar nog zwaar in herstel. Veel meer dan ik zelf dacht.

Gisteren ben ik voor het eerst koffie gaan drinken met mijn leidinggevende op het werk. Dat was een zware klus. Niet om die koffie te drinken, maar om er überhaupt te komen. De aanloop in mijn gedachten — al dagenlang — de autorit ernaartoe, de eventuele confrontatie met collega’s.

Ik ben blij als ik het kantoor van mijn baas binnen kan glippen. Hij is blij me te zien en ziet ook hoe zwaar het me valt. Dat is fijn. De stoel, het bekertje water en de tissues voor mijn tranen voelen als een serieuze pleister en troost. Het gesprek verloopt verder prima. Ik krijg alle steun en ruimte.

De autorit naar huis verloopt minder gespannen. Thuis lukt er verder niks meer. Ik ben op. Leeg. Ik heb hersteltijd nodig.

Als mijn dochter thuiskomt van haar laatste schooldag met een mooi rapport en de overgang naar VWO-2, ben ik apetrots. Ik weet dat ze er graag samen met mij op uit wil om nieuwe schoolspullen te halen. Ik ken ook het weerbericht voor de komende dagen. Oplopend naar 30+.

Dus vind ik het verstandig om haar te beloven morgen maar meteen te gaan. Dan kunnen we ook lunchen. Dan is het nog niet zo warm.

En toen kwam morgen en lukte het vandaag niet.

En heb ik gekozen voor de beste optie. Mijn dochter vertellen dat het vandaag niet lukt. Ik heb de donkere weerwolk leeg laten lopen. Het voelde goed om te kiezen voor wat het beste was voor mij.

En dochterlief?

Die mompelde: ‘Geen probleem’, draaide zich om en sliep verder.