Onze supermarkt heeft een serieuze make-over gekregen. Daar waren ze drie weken voor gesloten. Dus moesten we ergens anders heen.
Niet dat ik altijd de boodschappen doe, hoor. Mijn man zorgt voor de wekelijkse boodschappen, mijn dochter voor de tussendoortjes en als ík boodschappen doe, is het meestal voor de categorie ‘vooral niet noodzakelijk, maar wel lekker of leuk’. Ik koop er voornamelijk plantjes, bloemen, lunchbroodjes, kaarten, tijdschriften en snacks voor de lekkere trek.
We hebben allemaal zo onze taak.
Deze week was de grande opening en zijn man en dochter alvast op verkenningstocht gegaan. Voor een sluiting van drie weken waren ze in mijn ogen maar matig enthousiast. Er was ‘eigenlijk niet zo heel veel veranderd’.
Gelukkig, dacht mijn brein.
Bekend terrein dus.
Vandaag ging ik zelf. Met dochterlief. Voor een lekkere lunch en een vergeten ui. Maar vooral om het resultaat te aanschouwen van drie weken sluiting voor een make-over die blijkbaar nauwelijks iets teweeg had gebracht.
Ik was echt nieuwsgierig.
Bij aankomst is het druk.
Heel druk.
Het parkeerterrein staat bijna vol.
Oei. Dat ben ik niet gewend.
Ik zie overal vlaggen. Er staat een nieuw fietsenrek bij de karretjes en de karretjes zijn niet meer geel, maar donkergrijs.
Oké.
De ingang is veranderd.
Oké.
En bij binnenkomst ontploft er een soort skippybal in mijn hoofd.
Hoezo bijna geen verandering?
Mijn brein, dat zich had voorbereid op bekend terrein, probeert uit alle macht de binnenkomende informatie ergens aan vast te knopen.
Andere sfeer.
Andere indeling.
Andere paden.
Nieuwe producten.
Mensen.
Veel mensen.
Mijn brein komt serieus draadjes tekort.
Dochterlief loopt ondertussen gewoon boodschappen te doen.
Zelf ben ik ontzettend druk met supermarkt.
Ik probeer de nieuwe indeling te volgen, kijk naar de andere schappen en blijf hangen bij een heuse verse-sushikeuken.
‘Kijk, allemaal Chinezen’, zeg ik wanneer we langs een aantal Aziatisch uitziende mannen lopen die vis staan te snijden.
Vanaf dat moment trekt mijn dochter haar mond strak en zegt ze amper nog iets.
Ik voel nog net geen stoom uit haar oren komen.
Oei.
Ze is chagrijnig.
Maar waarom?
Geen idee.
Ik heb ook niet zoveel ruimte om daar uitgebreid over na te denken. Mijn brein is nog steeds bezig met vlaggen, donkergrijze karretjes, een nieuwe ingang, onbekende paden en een sushikeuken.
Als we denken alles te hebben, is het: kom, snel naar de kassa en dan naar huis.
Maar bij de zelfscankassa staat een rij.
Een rij?
Hoezo een rij?
Ik heb hier nog nooit in een rij gestaan.
Mijn brein moet opnieuw schakelen.
Dan blijken we ook nog een gratis product te krijgen waarvoor een bonnetje nodig is. Maar wij hebben geen bonnetje. Dochterlief weet dit nog van de vorige keer, maar is niet van zins een medewerkster aan te spreken.
Tot we er allebei tegelijk eentje aanspreken.
En er dus ook twee medewerksters op ons af komen.
Inmiddels is alarmfase 1 afgekondigd in mijn hoofd en nadert het systeem het punt van errorontploffing.
En dan moeten we alleen nog door het poortje.
Thuis, aan tafel, probeer ik te begrijpen wat er nou eigenlijk gebeurd is.
Waarom was mijn dochter zo chagrijnig?
Wat is er misgegaan?
Het ging toch best goed?
We zijn met alles waarvoor we kwamen weer thuisgekomen.
Lunch.
Ui.
Best knap, in die drukte.
En ineens snap ik het.
Ik stond met 3-0 achter.
Mijn dochter met 3-0 voor.
Zij was al geweest.
Ik niet.
Zij kende de nieuwe ingang al. De andere karretjes. De nieuwe indeling. De verse sushikeuken.
Voor haar was nieuw inmiddels bekend.
Voor mij was bekend ineens nieuw.
Mijn brein had tijd nodig om alles wat binnenkwam ergens aan vast te knopen.
Ik vertel mijn dochter wat ik inmiddels denk te begrijpen. Dat ik met 3-0 achterstand binnenkwam. Dat ik wel voelde dat zij zich ergerde, maar geen idee had waarom.
En toen begon zij te vertellen.
Dat ik treuzelde.
Bij het poortje, bijvoorbeeld.
Het poortje?
‘Je scant je bonnetje en dan moet je met je karretje meteen doorlopen.’
Juist ja.
Dát is helder.
Niet na het poortje stilstaan om uitgebreid je bonnetje te verfrommelen en in de prullenbak te gooien die daar – in mijn ogen – precies voor dat doel staat.
Want dan staat je karretje stil.
En kan je dochter, die vlak achter je loopt, bijna niet meer door het poortje.
Helder.
Geen bonnetjes meer weggooien na het poortje.
Gewoon doorlopen.
Bonnetje thuis weggooien.
‘En mam, sushi is Japans hè. En dan roep jij ineens: “Kijk, allemaal Chinezen”.’
O ja.
Dat ook nog.
Tijdens ons gesprek komen we erachter dat ik dat gedoe met dat bonnetje blijkbaar al jaren doe.
Al jaren.
Mijn dochter ergert zich er dus ook al jaren aan.
Maar ze durfde dat nooit te zeggen.
En ergens tussen de nieuwe karretjes, de sushikeuken en een verfrommeld bonnetje valt er ineens nog een kwartje.
Mijn man en dochter doen meestal samen boodschappen.
Ik meestal alleen.
Niet omdat we dat ooit zo hebben afgesproken.
Dat is gewoon zo gegroeid.
Blijkbaar deden we allang wat voor iedereen het beste werkte.
We wisten alleen niet waarom.
Mijn man en dochter kunnen samen door de supermarkt.
Ik kan alleen.
Dan hoeft niemand samen met mij door een poortje.
Ik mag treuzelen.
Ik hoef ondertussen niets te zeggen.
Ik kan stilstaan bij een nieuw schap omdat mijn brein nog probeert te begrijpen waarom dat schap überhaupt nieuw is.
En ik kan mijn bonnetje weggooien wanneer ik daar zelf aan toe ben.
Blijkbaar hadden we al jaren een uitstekend supermarktprotocol.
We wisten alleen niet dat het een protocol was.
Sinds de AuDHD-diagnose kunnen we terugkijken naar dit soort kleine, alledaagse dingen en ineens begrijpen waarom we doen wat we doen.
Soms is er helemaal geen nieuw systeem nodig.
Soms blijkt het oude systeem prima te werken.
Je moet alleen niet ineens samen door het poortje.